Feiten versus Fantasie: schrijven over piraten

Daar sta je dan, op een goede zomerdag, bruisend van energie over je net genomen besluit: je gaat een historische roman schrijven, een roman die zich afspeelt in de wereld van de boekaniers in de zeventiende eeuw. En dan begint de ellende…

Wie een verhaal wil schrijven dat zich in een andere tijd afspeelt, kan zich op drie manieren laten inspireren.

Allereerst zijn daar de feiten. Die kunnen we halen uit geschiedenisboeken, die ons vertellen wanneer welke koning leefde, wie welke oorlog won en hoeveel inwoners Londen en Parijs hadden, zodat we bijvoorbeeld weten dat ten tijde van mijn boek Charles II de koning van Engeland was.

Port Royal, Jamaica voor 1672
Port Royal, Jamaica voor 1672

Die kunnen we ook halen uit vakboeken, waarin we informatie kunnen vinden over oude zeilschepen, en uit archeologisch onderzoek, zodat we weten hoe het stratenplan van Port Royal, de beruchte piratenvrijhaven op Jamaica, eruit zag.

Een niet onbelangrijke bron van historische feiten zijn de piraten zelf. Menigeen heeft zich laten verleiden een biografie of reisverslag te schrijven, die toen al gretig aftrek vonden bij het grote publiek, wat bewijst dat de romantisering toen al was ingezet. Ze zijn van onschatbare waarde voor een kijkje in het echte leven van de boekanier, maar dienen tegelijkertijd voorzichtig benaderd te worden.

Allereerst zijn ze geschreven door piraten. Die hadden er alle baat bij niet altijd eerlijk te zijn. En ten tweede moeten we ons ervoor hoeden die geschriften niet door een hedendaagse bril te lezen, want dat zou kunnen leiden tot verkeerde interpretaties.

Ten derde kunnen we ons ook laten inspireren door al bestaande boeken en vooral films over die tijd, waaraan we al onze visuele kennis over die periode ontlenen.

Hollywood leerde ons dat piratenvlaggen zwart zijn met witte doodskoppen met gekruiste beenderen eronder, dat boekaniers iemand over een plank lieten lopen en zo in zee lieten storten en dat kaperschepen grote stuurwielen hadden, waarachter in weer en wind een stoere roerganger stond.

Errol Flynn als Captain Blood
Errol Flynn als Captain Blood

In 'Captain Blood' droeg Errol Flynn laarzen tot over zijn knie en joeg hij zijn vijanden over de kling met een degen met een komgreep. 'Schateiland' van Stevenson vertelde ons dat piraten houten benen hadden en een papegaai op hun schouder meezeulden.

Boeken zoals van Daniel Defoe en films zoals 'Pirates of the Caribbean' scheppen en herbevestigen het beeld dat we van die klassieke piraat hebben. De wereld van de fantasie is met deze zeeschuimer op de loop gegaan. Als ik jullie allemaal zou vragen een piraat te tekenen, weet ik zeker dat ze bijna allemaal identiek zouden zijn. Want dat is de kracht van fantasie. Die overstijgt die der feiten.

De vierde inspiratiebron bij het schrijven wordt gevormd door onze eigen en eigentijdse ervaringen. Kerkklokken beieren het aantal uren om de tijd aan te geven, een galg ziet eruit als in het letterspelletje, op 25 december vier je Kerstmis en als je handen koud zijn, stop je ze in je zakken.

En juist bij Hollywoodfictie en bij hedendaagse realiteit gaat de historische schrijver de mist in, onbedoeld en ongemerkt.

Bij alles wat je schrijft, hoe alledaags en vanzelfsprekend het ook lijkt, moet de schrijver zich afvragen of het in de tijd die hij neerpent, wel zo was. Vierde men wel Kerstmis? Gebruikten piraten wel degens? Hadden schepen wel stuurwielen? Hadden broeken wel zakken? Je kunt je boek honderd keer lezen en herschrijven, maar telkens weer zul je jezelf betrappen op triviale fouten.

Voor een deel zijn die fouten gevormd door de Hollywoodfictie, door fantasie, door het beeld dat zo op ons netvlies gebrand staat, dat we er nauwelijks meer los van kunnen komen, los van willen komen. En voor een deel worden ze veroorzaakt door ons eigen leven, door wat we zo gewoon vinden dat we er niet meer bij nadenken.

Als je dus een historische roman wilt schrijven, die historisch accuraat en verantwoord is, zul je dus research moeten plegen.

En juist die research maakt het schrijven van historische romans zo leuk.

Het is dus nog steeds die mooie zomerdag en je bruist nog steeds van energie, je hebt besloten dat je je fantasie zult onderwerpen aan de dwangbuis der feiten, en dus moet je veer nog even in de inktpot blijven en zul je eerst in de feiten moeten duiken.

Dus ga je als beginnend schrijver op zoek. Dat is soms frustrerend, wanneer je niet kunt vinden wat je zoekt. Soms is het ergerniswekkend, wanneer bronnen die er serieus uitzien, achteraf complete onzin uit blijken te kramen. En soms is het verrassend, als je onbedoeld op fascinerende informatie stuit. En dikwijls werpt het schier onneembare hindernissen op, wanneer blijkt dat wat je in je fantasie zo prachtig uitgedacht had, zo botst met de toenmalige werkelijkheid, dat je een heel hoofdstuk kunt schrappen, omdat herschrijven niet eens meer mogelijk is.

In mijn geval speelt het verhaal zich niet alleen af in het midden van de zeventiende eeuw, maar voor een groot deel ook nog eens in verre oorden, die ik zelf nooit bezocht had. En ook daar laat de schrijver zich leiden door reisbrochures, films en logica. Als je honger hebt en geen vlees kunt betalen, dan koop je een brood. Als de zon de hele dag op het strand schijnt, wordt het zand brandend heet. Als je ergens naartoe moet, dan ga je er gewoon heen, desnoods te voet. Maar klopt dat wel? Vaak zul je er niet eens bij stil staan of het wel geresearcht moet worden. Het is allemaal zo vanzelfsprekend, immers.

Een laatste vraag die de schrijver zich stellen moet, is hoeveel historische figuren hij in zijn boek laat opdraven. Iemand die echt bestaan heeft, geeft kleur aan een boek en een gevoel dat het echt allemaal zo is gebeurd. Maar tegelijkertijd levert het beperkingen op. Je kunt die persoon niet zomaar alles laten doen, zijn karakter niet kneden, hem niet daar laten opduiken waar je hem hebben wilt.

Moet een historische roman dan helemaal gespeend zijn van fictie? Natuurlijk niet. Een beetje Hollywood in zelfs de meest serieuze film of in een boek maakt dat je de reclame voor lief neemt om de film af te zien en een verhaal 's avonds niet weg kunt leggen. Maar de fictie moet wel binnen het historische raamwerk blijven. De lezer mag er immers op vertrouwen dat de schrijver zijn huiswerk heeft gedaan.

Als we ons beperken tot mijn eerste boek, 'Rochette uit Duinkerken', en de eerder genoemde voorbeelden, wat klopt dan en wat klopt er niet?

Laten we beginnen met het kenmerk van piraten: de zwarte vlag met doodskoppen en gekruiste beenderen. Die wapperden toch op alle piratenschepen?

Fout! De eerste zwarte vlaggen met angstwekkende afbeeldingen zijn pas rond 1700 voor het eerst te zien op de zeven wereldzeeën. En dan nog hadden alleen de vlaggen van Black Sam Bellamy en Edward England een doodshoofd met gekruiste beenderen. Andere kapiteins kozen voor skeletten, kortelassen, zandlopers en bloedende harten, in wit of rood.

De piratenvlag van Thomas Tew
De piratenvlag van Thomas Tew

Wat voor vlag gebruikten de piraten vóór 1700 dan? De meeste voelden zich verbonden met hun land van herkomst en gebruikten meestal die vlag. Of ze hadden een commissie en gebruikten dan de vlag van dat land. Of ze lieten een valse vlag wapperen om hun prooi om de tuin te leiden. Er is sprake van geheel zwarte vlaggen, maar die waren zeldzamer. Wel was er de bloedvlag, een vuurrode vlag die pas gehesen werd als er niet langer genade gegeven zou worden, noch gevraagd.

Evenmin lieten piraten hun slachtoffers over de plank lopen. Dat is een schier onuitroeibare mythe. Waarom zoveel moeite doen als je iemand ook gewoon overboord kon kieperen? Piraten deelden dezelfde straffen uit als op gewone schepen, dus werd er gegeseld, aan de mast genageld, spitsroede gelopen, kromgesloten, van aandeel vervallen verklaard of eenvoudig doodgeschoten.

Een typische piratenstraf die niet tot het land der fabelen behoort, is het achterlaten op een onbewoond eiland met alleen een fles water en een geladen pistool om zelfmoord te plegen. De gestrafte werd gouverneur van zijn eiland gemaakt, zogezegd, en de afloop was bijna altijd fataal.

En dan het piratenschip. Niets is zo tot de verbeelding sprekend als een gehavende zeeman, die turend tegen de zon in, af en toe door opsproeiend zeeschuim geteisterd, het schip voortjaagt over de woelige baren, draaiend aan het grote stuurwiel. Wederom fout! Het eerste stuurwiel komt pas rond 1700 en bestond dus niet in de tijd van beruchte boekaniers als Laurens de Graaf en Morgan.

De hoogtijdagen der piraterij lagen tussen 1660 en 1730. In die zeventig jaar veranderde er niet alleen veel in de zeevaart, maar ook in de mode. En dus ook wat een piraat droeg. Een piraat droeg dat wat zijn tijdsgenoten ook droegen. Aan boord ging hij barrevoets of droeg hij schoenen, droeg hij een driekwartbroek met wijde slobberpijpen, maar zonder broekzakken, en een hemd met jas. Om hun onafhankelijkheid en hun gelijkheid tot de rijken, die eens hun meerderen waren, te onderstrepen dosten ze zich graag uit in opzichtige accessoires, zoals kleurige heupsjerpen.

Er zijn ooggetuigenverslagen die vertellen hoe piraten aan wal zich tooiden met hemden met kant, hoeden met veren en kostbare, buitgemaakte jassen, maar dan wel weer gewoon met blote voeten. Dat zal een potsierlijk gezicht geweest zijn.

kortelas, een korte, enigszins kromme houwdegen
Kortelas, een korte, enigszins kromme houwdegen

Een ongewapende piraat is een dode piraat. Maar Captain Blood mag dan een rapier met komgevest gebruiken, de echte boekanier droeg een kortelas, een korte, enigszins kromme houwdegen. Ze bewapenden zich verder met enterbijlen, pistolen en musketten. Zeer geliefd waren ook 17e-eeuwse handgranaten.

Maar een houten been? Oh ja, ze verloren dikwijls ledematen. De piratenartikelen vermeldden niet voor niets de uitkeringen voor het verlies van ogen, armen en benen. Maar na het verlies van een hand of been was je carrière aan boord wel over. Hoe wilde je in vredesnaam met één been of arm in het want klimmen of op de ra een zeil inhalen? Want een plaatsje voor de gehandicapte ex-piraat als kok aan boord was er zelden; piraten kookten hun eigen potje aan dek.

Maar de grootste valkuil zijn we zelf. We leven in deze tijd en kunnen ons niet voorstellen dat het eens anders is geweest. Natuurlijk, we snappen ook wel dat er toen geen televisie was, maar veel dingen zijn zo gewoon, dat we er niet eens bij stilstaan dat het wellicht eens anders is geweest.

En ja, in onze tijd slaat de kerkklok de hele en soms ook de halve uren. Zo niet in de 17e eeuw. Wie mijn boek leest, zal ontdekken dat ik hier te laat achter kwam en dat de klok macaber beiert in de ochtendnevel wanneer de gevangene naar de galg gebracht wordt.

De galg bij Tyburn, London
De galg bij Tyburn, London

En over die galg gesproken… Die zagen er lang niet allemaal uit zoals wij ons voorstellen. De beruchte galg van Tyburn bij Londen, bijvoorbeeld, was driezijdig. Je moet dus als schrijver voortdurend bedacht zijn op wat je schrijft.

Zo werd in 1647 kerstmis in Engeland door de Puriteinse regering van Cromwell in de ban gedaan. Winkels moesten open blijven, kerstspelen werden verboden en dansen was al helemaal uit den boze. Wie dus een verhaal schrijft dat zich in 1650 in Engeland afspeelt en hij laat zijn karakters tijdens kerstfeest zingen, drinken en lekker aan kippenbouten knabbelen, maakt een grote, historische fout. En voor je het weet, is zo'n fout gemaakt!

Dan heb ik het nog niet over de valkuil van verre oorden gehad. Natuurlijk, ik kan in elke reisbrochure opzoeken hoe de stranden van de Caraïben eruit zien. Dat is het probleem niet. Ik kan de namen van de vogels, de bloemen en de bomen opzoeken en dat kleurrijk beschrijven. En toch zal ik mijn eigen ervaringen van hier, in Nederland, ongemerkt projecteren op dat exotische oord.

Ik ben geboren en getogen in Amsterdam en heb dus heel wat zomerdagen doorgebracht aan het strand. En net als de meesten van jullie heb ik de ervaring, dat wanneer de zon de hele dag het strand gestoofd heeft en je probeert 's avonds door het mulle zand de duin naar de boulevard te beklimmen, je je voeten verbrandt. Ik ben met die ervaring opgegroeid en vond dat vanzelfsprekend.

Niet dus. In 2010 bezocht ik Mexico en heb daar vele plaatsen bezocht die in mijn boek beschreven worden. Zo ook het strand. En hoewel de zon in Mexico heel wat heter en feller schijnt dan hier in Nederland, is het zand koel! Je brandt er je voeten niet! Het was een revelatie!

Een Mexicaans kalkstrand
Een Mexicaans kalkstrand

De verklaring is simpel. Ons zand bestaat feitelijk uit hele kleine glasdeeltjes. Het zand in Mexico, echter, is op kalkbasis, vanwege het koraal, waardoor het witter en fijner is en niet heet wordt. Maar ik moest er zelf geweest zijn om het te ervaren. Geen reisbrochure die dit vermeldt!

Nog lastiger is het om ons te bevrijden van onze sociale beelden. We zijn opgevoed met de conceptie dat bepaald gedrag wel of juist niet acceptabel is en dat zit diep. Het is heel moeilijk je daarvan los te maken. En als je het doet, is het nog maar de vraag of de lezer je verhaal nog wel juist zal interpreteren.

Heden ten dagen, in Europa, mag een vrouw gaan en staan waar ze wil. Als ik vrienden wil bezoeken, stap ik in de auto en ga.

Maar in vroeger eeuwen was dat ongehoord. Een vrouw reisde niet alleen. Punt – uit. Deed ze dat wel, dan was dat een groot schandaal en verloor ze haar eer en goede naam.

Wat een dilemma voor de schrijver die het allemaal zo graag goed wil doen. Hij kan de vrouw alleen laten reizen, maar dan maakt hij een historische blunder. Dus moet er een begeleider mee, maar dat past niet altijd in je verhaal. Een begeleider kan de daaropvolgende gebeurtenissen behoorlijk compliceren.

Anderzijds is daar het omgekeerde probleem. Stel dat ik de vrouw historisch alleen laat reizen. Onze betovergrootouders zouden zonder dat dit uitgelegd hoefde te worden meteen weten dat we hier met een onfatsoenlijke vrouw te maken hadden. De meeste hedendaagse lezers zouden die dubbele bodem, die verborgen informatie over het personage, missen, met alle gevolgen van dien.

En wat gebeurt er als je verre tijd en verre plaatsen samenbrengt? Dan krijg je een dubbele valkuil. Uit de geschiedenisboekjes wist ik dat alleen de rijken vroeger vlees aten. De armen aten brood. Dus liet ik in mijn boek de bevolking van Port Royal op Jamaica rustig hun buiken vol eten aan brood.

Wie had kunnen vermoeden dat dit ver bezijden de waarheid was? Op Jamaica werd nauwelijks tot geen graan verbouwd. Meel moest dus geïmporteerd worden en was dus gruwelijk duur. Het weinige brood dat er was, was peperduur. Nee, de armen aten wat er in overvloed was: schildpadden! Port Royal had zijn eigen schildpadmarkt, bij de zogenaamde turtle crawls, een Engelse verbastering uit het Nederlandse woord 'kraal', waar de schildpadden in het water in leven gehouden werden tot het moment daar was om ze letterlijk in de pan te hakken.

Inderdaad stellen de feiten je soms voor niet te slechten wallen. Maar het is niet alleen maar kommer en kwel. Doordat je op zoek gaat naar gegevens over de personen in je boek die echt bestaan hebben, stuit je soms op aangename verrassingen.

Armand de Guiche, de graaf van Gramont
Armand de Guiche, de graaf van Gramont

Zo kwam ik Armand de Guiche, de graaf van Gramont tegen, niet te verwarren met de piraat de Grammont. Hij paste zo perfect in een personage dat ik had gecreëerd, dat ik hem zonder wijzigingen zo in mijn boek kon plakken. Ik hoefde alleen de voornaam te veranderen.

Hij paste zelfs zo goed, dat hij me nieuwe ideeën gaf. De echte Armand hield het niet alleen met de broer van de Franse koning, maar ook met diens echtgenote, dus niet de koningin, maar de schoonzuster van de koning. Ze was de zuster van de Engelse koning en zij en Armand intrigeerden om de verkoop van Duinkerken door Engeland aan Frankrijk tegen te houden. En mijn hoofdpersoon, Rochette, kwam uit Duinkerken! En Duinkerken is in het boek een wezenlijk onderdeel van een politieke intrige. Soms is de geschiedenis fraaier dan welke fantasie ook had kunnen verzinnen. Feiten versus fictie wordt feiten in samenwerking met fictie.

Ondanks dat het niet onfeilbaar is, is internet onmisbaar voor een schrijver. Waar zou ik anders moeten uitrekenen op welke datum in een bepaald jaar Pasen viel en op welke dagen het volle maan was in een zekere eeuw? Valt of staat een boek met het correct hebben van de maanfases? Nee, natuurlijk niet. Maar het bezorgt me wel een heleboel plezier om dit soort feitjes uit te zoeken.

Piraten… Piraten zijn van alle tijden. Maar toch, als je het woord hoort, denk je onmiddellijk aan de klassieke piraat, die rond het einde van de zeventiende eeuw de Caribische Zeeën onveilig maakte.

Hij spreekt niet alleen nu onweerstaanbaar tot de verbeelding, maar zelfs toen al, in zijn eigen tijd. Voor ons is het nog begrijpelijk. Wij zien alleen de romantiek en hebben geen last van zijn plunderingen en geweld. Stel je een hedendaagse piraat voor, zoals die de Somalische kusten nu onveilig maken. Heb je daar dezelfde romantische gevoelens bij als bij onze goede, oude boekanier? Ik betwijfel het. Ik zie hier op verkleedpartijtjes niemand gekleed als Somalische piraat. In geen enkele roman zal hij de heldhaftige, ruwe-bolster-blanke-pit hoofdpersoon zijn.

Aan het einde van de zeventiende eeuw, toen er heel wat autobiografische bestsellers van de hand van echte boekaniers kwamen, had die boekanier de positie die de Somalische piraat nu heeft: hij plunderde schepen en maakte de zeeën onveilig, hij gijzelde zeelieden en passagiers en kaapte vaartuigen.

Waarom, dan, sprak hij ook toen al zo tot de verbeelding, werd hij ook toen al geromantiseerd?

Het antwoord is vrijheid. Vrijheid en democratie. Vrijheid, democratie en zelfbeschikkingsrecht. Waarden waarnaar elk mens hunkert, maar die voor velen onbereikbaar zijn en zeker in de zeventiende eeuw.

In die tijd was je overgeleverd aan gerechtelijke willekeur, aan schrijnende sociale ongelijkheid, aan knechting in de ruimste zin des woords. De vrouw was volledig ondergeschikt aan de man. De arme was ondergeschikt aan de rijke. Elk mens was ondergeschikt aan de kerk en elke burger aan de koning, elke contractarbeider aan zijn juridische eigenaar.

En elke matroos aan zijn kapitein…

Dat die onvrijheid en ongelijkheid en willekeur leidden tot ernstige misstanden, hoef ik niemand uit te leggen. Democratie was vrijwel onbekend. De republiek der Nederlanden kwam in de buurt, maar een algemeen stemrecht bestond niet, gelijkheid bestond niet.

Maar de 17e-eeuwse boekanier had de ultieme vorm van democratie uitgevonden. En voor de verandering bleek die utopie geen utopie, maar een systeem dat in de praktijk wonderwel werkte! En dat sprak tot de verbeelding, mannen die zelf bepaalden wat ze met hun leven deden en aan niemand, zelfs misschien niet aan God, verantwoording hoefden af te leggen, mannen die geen belastingen betaalden, mannen die in elke beslissing aangaande hun leven en toekomst een stem hadden, mannen die gelijk waren aan hun medemens, zelfs als ze als slaaf geboren waren.

Waar op een regulier schip de officieren een eigen hut hadden, beter eten kregen en een exorbitant hoger salaris kregen, was dat op een piratenschip heel wat anders.

Op een Engels oorlogsschip van de eerste rang verdiende de kapitein achttien keer zoveel als een ervaren matroos, terwijl zijn aandeel in het prijzengeld honderd vierendertig keer zo hoog lag. Op een piratenschip kreeg de kapitein meestal maar anderhalf of twee keer zoveel, en dan alleen nog bij de gratie van de mannen.

Evenmin kregen officieren op de vrije vaart privileges in de vorm van een eigen hut of meer voedsel. Alle victualiën aan boord werden gelijkelijk verdeeld en iedereen mocht ervan nemen wanneer hem dat uitkwam. Zelfs als er tekorten ontstonden, moest er gestemd worden of er gerantsoeneerd mocht worden. Er is een verhaal overgeleverd van een kwartiermeester die aan wal zijn kapitein een jas afnam, omdat die geen toestemming aan de bemanning gevraagd had die uit de gemeenschappelijke kledingkist te pakken.

Officieren werden gekozen en konden dus bij wangedrag ook weer afgezet worden. De mannen bepaalden gezamenlijk, door te stemmen, waarheen ze zouden varen en welke prijs er wel en niet genomen mocht worden. Alleen als het gevecht eenmaal aangegaan was, had de kapitein absolute zeggenschap, anders zou er chaos ontstaan.

De kapitein kon de straffen wel opleggen, maar nooit uitvoeren. Dat mocht alleen de kwartiermeester. Zo werd misbruik voorkomen. Wie je ook was aan boord, iedereen was gelijk. Er werd zelfs geen onderscheid gemaakt tussen blanken en zwarten, wat in een tijd van slavernij hoogst ongebruikelijk was.

Belangrijker dan rijkdom was dus hun vrijheid. Het heette dan ook niet voor niets de vrije vaart.

Het vooruitzicht op rijkdom speelde uiteraard ook mee, maar de buit die door piraten binnengehaald werd, wordt schromelijk overschat. Hoewel enkele exorbitante bedragen buitgemaakt zijn in een enkele expeditie en die uiteraard beklijven, zijn de meeste verhalen over schatten een fabel. Meestal bestond de buit uit niet veel meer dan water en voedsel, hoognodige onderdelen om het eigen schip varende te houden en niet zelden medicijnen zoals kwik. Tegenover elk succesverhaal staan legio verslagen van piratenschepen die na een expeditie van meer dan een jaar met lege handen stonden.

e piraat met houten been, papegaai op zijn schouder: fantasie
De piraat met houten been, papegaai op zijn schouder: fantasie

Dus hun vrijheid maakte hen tot geromantiseerde helden met wie de fictie in de loop der jaren op de loop is gegaan. En bij de fantasie van de piraat met houten been, papegaai op zijn schouder en met zijn ene goede hand begraven in bergen met gouden dubloenen horen nog drie andere beelden: de oppermachtige piratenkapitein die iedereen die hem tegenspreekt over de kling jaagt, de wrede piraat die martelt en moordt, en de piraat die zijn leven eindigt aan een strop.

Is dat dan ook allemaal fictie?

Laten we beginnen met de oppermachtige, duellerende kapitein. Dat is fictie. Pure fictie. Zoals al gezegd werd de kapitein gekozen en kon hij ook weer afgezet worden. Niet zelden moest een kapitein als een dief in de nacht vluchten voor zijn eigen mannen. En hoewel hij tijdens het gevecht absolute zeggenschap had, lag daarbuiten de feitelijke macht aan boord in handen van de kwartiermeester. Het was niet ongebruikelijk dat de kapitein bang was van zijn eigen kwartiermeester. Vaak werd hij alleen geduld omdat hij kon navigeren of omdat hij het schip bezat als dat geen bezit van de gehele compagnie was of omdat hij de juiste connecties in de vrijhaven had. Maar een kapitein die geen buit aanbracht, werd zonder meer weggestemd.

Dan hun spreekwoordelijke wreedheid. Fictie? Nee. Het was niet ongebruikelijk slachtoffers te straffen als ze zich verzet hadden tegen enteren of te martelen om te achterhalen waar de buit verstopt was. Sommige piratenkapiteins, zoals Nau l'Olonnais, zijn de geschiedenis ingegaan omdat ze zelfs door hun tijdgenoten als wreed werden gezien, andere waren zeer beschaafd en een enkeling is zelfs afgezet omdat zijn mannen hem niet hard genoeg vonden. Maar wreedheid hoorde erbij.

Daar wil ik toch graag een kanttekening bij maken, niet om hen vrij te pleiten, maar omdat het hier om geschiedenis gaat en elk historisch verhaald dus in zijn geschiedkundig raamwerk gezien moet worden.

Allereerst was wreedheid niet ongewoon in die eeuwen. Het martelen van gevangenen voor een bekentenis stond in de wet. Een meester mocht zijn contractarbeiders en slaven met de zweep afranselen. Een man mocht zijn vrouw met een stok slaan. Een ouder mocht zijn kind tuchtigen. Wreedheid was een deel van het leven toen en werd vaak niet eens als zodanig beschouwd. Dat mogen we niet uit het oog verliezen als we de feiten over piraten lezen. Wij bezien alles door de ogen van een Nederlander uit de eenentwintigste eeuw, die op zijn achterste benen staat als er een hond mishandeld wordt. Bedenk dat niet alle wreedheden die wij denken te lezen in die verslagen toen ook als zodanig werden gezien.

Ten tweede was die wreedheid vaak voornamelijk gericht tegen de aartsvijand van de piraat, de Spanjaard, en als zodanig ingegeven door wraak. Legio zijn de verhalen uit die tijd waarin de Spanjaard als wreder dan alle andere volkeren wordt beschreven. Het is niet belangrijk of dit ook zo was, het is belangrijk dat men dat toen algemeen vond.

Wreedheden tegenover monniken
Wreedheden tegenover monniken

En dat brengt ons automatisch bij het derde punt. Mijn verhaal begint in 1665. De meeste piraten toen waren Engelsen en Hollanders. Zij haatten Spanjaarden, plunderden vaak uitsluitend Spaanse schepen en steden, en haalden wrede grappen uit met monniken.

Want ze haatten het katholicisme. Het was één van de struikelblokken tijdens tijdelijke allianties tussen Engelse en Hollandse piraten enerzijds en Franse boekaniers anderzijds.

En die haat is begrijpelijk als we de jaren vóór 1665 bekijken. Laten we ons voorstellen dat het januari 1665 is en dat we geboren zijn in Engeland of in Holland. Met welke geschiedenistrauma's zouden we dan rondgelopen hebben?

Engeland was aangevallen door de Spaanse Armada, had geleden onder de protestantenvervolgingen onder Bloody Mary, waarna er een burgeroorlog was uitgebroken onder Cromwell. Slechts vijf jaar geleden was de monarchie hersteld en de rust eindelijk teruggekeerd. Maar de angst en haat waren nog niet verdwenen. Zoiets kan generaties duren.

En Nederland had slechts zeventien jaar tevoren vrede gesloten met Spanje na de Tachtigjarige Oorlog met zijn Hof van Beroerten, zijn Bloedraad, met Alva en de Inquisitie. We hoeven alleen maar naar hedendaagse burgeroorlogen te kijken om te zien hoe lang de haat tussen beide partijen blijft hangen en wat het veroorzaakt, ook na de wankele vrede.

Captain Kidd hangt op Executioner's Dock
Captain Kidd hangt op Executioner's Dock

Ik wil graag eindigen met hoe velen denken dat de gemiddelde piraat zijn leven eindigde. Kwam niet elke piraat uiteindelijk aan de galg van Executioner's Dock in Wapping?

Nee. De kans dat een piraat gehangen werd, was in die beginjaren uiterst klein. Eerder overleed hij door ziekte, zoals John Bowen, ongelukken aan boord, tijdens actie, zoals Black Bart Roberts, Richard Sawkins en Thomas Tew, door overmatig drankgebruik, zoals Morgan, door onderling geweld, zoals Van Hoorn, door schipbreuk, zoals Grammont, en Nau l'Olonnais viel in handen van kannibalen. Of ze verdwenen in de vergetelheid, misschien wel om te rentenieren van hun buit, zoals Henry Avery, Laurens Prins en Rok Brasiliano. Bartholomew Sharp stierf in de gevangenis en Dampier overleed gewoon in zijn eigen bed.

Natuurlijk, Samuel Bellamy, William Kidd, Blackbeard en Calico Jack Rackham zijn gehangen, maar het aantal piraten dat aan de galg kwam, was uiterst gering, zeker vóór 1700. Coxon is zelfs meerdere keren in een proces vrijgesproken.

Dat kwam niet omdat ze zo moeilijk te vangen waren. Dat kwam omdat hun de hand boven het hoofd gehouden werd. Overal waren vrijhavens waar piraten konden gaan en staan waar ze wilden. Gouverneurs knepen een oogje dicht, want het geld dat de vrijbuiters binnenbrachten, was niet te versmaden. Zolang ze zich voornamelijk richtten op Spaanse buit, kon het maar weinig mensen wat schelen, al was men dan officieel niet in oorlog met Spanje. Hardop werd er geprotesteerd, ook door de koning, maar in de praktijk ondernam men maar bitter weinig. Voor de show werd er af en toe iemand gearresteerd of zelfs gehangen, maar meestal had een piraat in de 17e eeuw niet zo heel erg veel te vrezen zolang hij uit handen van de Spanjaarden bleef.

Behalve het geld, was er nog een goede reden om de boekaniers niet te vervolgen, zeker in de beginjaren. Jamaica, de rijkste kolonie van Engeland in de west in die dagen, werd nauwelijks door de vloot beschermd. Het moederland had eenvoudigweg het geld, noch de capaciteit om dat te doen. Voor hun bescherming waren de planters volledig afhankelijk van de boekaniers. Geen wonder dat Port Royal uitgroeide tot de belangrijkste vrijhaven in de Cariben. Ze werden openlijk en met open armen ontvangen, zelfs door de notabelen, die hen graag fêteerden.

En toen de publieke opinie in de koloniën zich ook langzaam tegen de zeerovers ging keren, omdat de handelaren machtiger werden dan de planters, bleken ze met de geringe middelen en door de lokroep van de vrije vaart zo moeilijk te bestrijden, dat gouverneurs en koningen hun liever gratie aanboden en zelfs hoge posities, dan dat ze probeerden hen voor het gerecht te slepen en veroordeeld te krijgen.

En belandde een piraat ten slotte toch voor de rechter, dan was het nog niet zo eenvoudig hem veroordeeld te krijgen. Vaak wisten ze vrijspraak te regelen in ruil voor zeekaarten van onschatbare waarden die ze op hun reizen hadden gemaakt of buitgemaakt. Dikwijls hadden ze machtige sponsoren die achter de schermen wat regelden. En zelfs in die tijd kon men niet zonder bewijs veroordeeld worden en dat lag vaak uiterst moeilijk. Het waren vaak de piraten die, terecht of onterecht, wisten te bewijzen dat ze tijdens plunderingen ziek of gewond waren geweest en dus niet hadden kunnen deelnemen of door hun medepiraten gedwongen waren aan te monsteren, wat inderdaad geen ongewone handeling was.

Maar tot rechtszaken kwam het die eerste vijftig jaar van de Gouden Eeuw der piraterij zelden. Voor geld en veiligheid wilden de kolonialen en tot op zekere hoogte daarmee ook het moederland wel een oogje dichtknijpen en de piraten hun vrijheid en levensstijl geven. En door die vrijheid en levensstijl maakten ze een onuitwisbare indruk op hun tijdgenoten, waardoor ze door latere generaties geromantiseerd werden.

Feiten waren fictie geworden.

En de hedendaagse schrijver moet daar een evenwicht in zien te vinden.